Programma najaar 2020

Het Covid-19 virus gedraagt zich onvoorspelbaar en het bestuur vindt het nog niet verantwoord om met een flinke groep mensen in een afgesloten ruimte te zitten. Daarom treft u op deze pagina niet het lezingenprogramma van najaar 2020, maar een GEOLOGIEQUIZ. De quiz is bestemd voor alle HGV-leden, alleen de organisatoren dingen natuurlijk niet mee naar de prijzen.

Hieronder vinden jullie aflevering 5. Hierna volgt er nog 1 aflevering met een tussenpoos van 3 weken. De leden ontvangen de quiz per e-mail en elke aflevering komt ook op de HGV-website.

Stuur je antwoorden voor 8 december a.s. naar dentersrose@gmail.com.
Enkele dagen na de sluitingsdatum worden de antwoorden op deze website gepubliceerd en krijgt de prijswinnaar bericht. Elke aflevering is er een prijs, naar keuze een fossiel of gesteente/mineraal, ter beschikking gesteld door de HGV.

De prijs van aflevering 4 ging naar Patty Fredriksz. Zij koos het fossiel en heeft haar prijs inmiddels ontvangen.

De antwoorden van de vorige afleveringen vind je op de antwoordpagina.

HGV GEOLOGIEQUIZ aflevering 5

1. SANIDIEN (een veldspaat) komt vooral voor in
a. fonoliet
b. sericietgneis
c. trachiet

2. een GLABELLA is
a. een pecten, behorend tot de soort Pecten Glabella (Lias)
b. het asgedeelte van het kopschild van een trilobiet
c. het schedeldak van een Stegocephaal

3. DICHOTOME VERTAKKING komt voor bij
a. primitieve planten
b. loofbomen
c. Tertiaire waterplanten

4. PISOLIET is (zijn)
a. een calciet-erwtensteen in kalksteenspleten
b. een kiezeloöliet
c. ronde of ovale bolletjes kalksteen tot erwtgrootte

5. TRIFURCERENDE RIBBEN komen voor bij
a. Mesozoïsche ammonieten
b. Mesozoïsche Stenopterychius
c. vroeg-Mesozoïsche ceratieten

6. GALENIET
a. is niet splijtbaar, buigt alleen onder druk
b. is volkomen splijtbaar
c. splijt in plaatjes

7. het mineraal WULFENIET is
a. auripigment met een weinig Fe
b. molybdeen- en looderts
c. voor het eerst door Wulf beschreven geel vanadiumerts

8. WOLZAKKEN zijn verweringsvormen van
a. pluizige, rechthoekige asbest en asbesthoudende mineralen
b. fossiele borstelworm uit de Burgess Shale (Cambrium)
c. verweringsvorm van graniet

9. van de totale hoeveelheid water op aarde is de hoeveelheid grondwater (onderaards water) ongeveer
a. 2,62%
b. 4,62%
c. 0,62%

10. JUVENIEL WATER is
a. in diepe zandlagen na honderden jaren volledig uitgefilterd water
b. vrijgekomen water bij diep in de aardkorst plaatsvindende vulkanische processen
c. bij vulkanische uitbarsting in gesteenten opgenomen zoet water (bijv. uit een kratermeer)

11. RECEPTACULITES is
a. kalkafzettingen van stromatolieten (blauwalgen)
b. (schors)afdrukken van een Carbonische boomvaren
c. kalkskeletten van algenkolonies

12. PALEOPATHOLOGIE is de leer van de
a. vergelijking van de afmetingen van fossiele organismen
b. ziekten en kwetsuren van fossiele organismen
c. fysiologie van fossiele organismen

13. MADREPORA is (zijn)
a. zgn. sterkoralen of kalkkoralen
b. de zeefplaatjes van de Echinodermen
c. de aanhechtingsschijf tussen kelk en steel van een zeelelie

14. SUEVIETTUF uit de meteoorkrater van het Ries heeft de naam te danken aan
a. de Latijnse naam Suevi voor Zwaben
b. prof. Suevi, de beschrijver van de Riesexplosie met een buitenaardse oorzaak
c. het plaatsje Suevi in het Riesgebied

15. een TERUGVERINGS- of OPHEFFINGSBULT vinden we in een
a. smeltwaterkom van een plotseling teruggetrokken gletsjer
b. caldera met afgekoeld lavameer, dat door hernieuwde verhitting in het centrum opbolde
c. het centrum van een meteoorkrater

16. onder TEFRA verstaat men
a. door een vulkaan uitgeworpen asdeeltjes
b. gebedsriem van de Israëlieten
c. door een vulkaan uitgeworpen bommen en klodders lava

17. een KOPERCARBONAAT is
a. pseudomalachiet
b. malachiet
c. chrysocolla

18. AGNATHA zijn
a. klein soort trilobieten, waarvan de romp uit slechts twee segmenten bestaat
b. primitieve kaakloze vissen
c. een Orthocerasfamilie met het begin van ‘oprolling’ in de richting van de Nautilidae

19. een EUTROOF MILIEU heeft
a. water met een hoog gehalte aan voedingsstoffen
b. water met een laag gehalte aan voedingsstoffen
c. zuurstofarm en levensvijandig water

20. het VISÉEN behoort tot het
a. bovenste Devoon
b. onderste Carboon
c. bovenste Carboon

21. de Noordeuropse SAALE-tijd (M-Pleistoceen) valt samen met het alpiene
a. Riss
b. Mindel
c. Riss II

22. de CHORDATA zijn
a. herkauwers
b. gepantserde zoogdieren (zoals de gordeldieren)
c. gewervelde dieren

23. STEGOCEPHALEN zijn
a. de eerste amphibische dieren
b. sauriërs met grote rugplaten
c. ganoïd-vissen uit het Westfalien

24. DEFLATIE is
a. het van het strand terugblazen van het water door sterk aflandige wind
b. het uithollen van gesteente-oppervlak door met zanddeeltjes beladen wind
c. het wegvoeren van gesteenten of zand door wind

25. het meest op aarde voorkomende element is
a. silicium
b. zuurstof
c. waterstof

De prijzen van deze aflevering: