Voorjaar 2021

Het Covid-19 virus waart nog steeds rond. Inmiddels is de lockdown deels opgeheven en is de avondklok afgelopen. Verdere versoepelingen zitten in de lucht, maar het is nog steeds niet mogelijk om met een flinke groep mensen in een afgesloten ruimte te zitten. Daarom is er helaas nog steeds geen lezingenprogramma, maar publiceren wij hier het HGV-project ‘Mijn favoriete object’, de leden hebben hierover bericht ontvangen. Het is de bedoeling dat de leden vertellen over een object uit hun verzameling. Het mag gaan over een fossiel, gesteente, mineraal of schelp. Het hoeft niet recent verworven te zijn, maar mag ook veel eerder in bezit zijn gekomen. Het mooiste verhaal, het mooiste object komt in aanmerking voor een prijs, wederom door de HGV beschikbaar gesteld.
Schroom niet en doe vooral allemaal mee! Dit keer mogen ook de organisatoren meedingen naar de prijzen.

Hoe doe je mee?
1. Schrijf een toelichting van max 400 woorden waarin je vertelt hoe je aan het object komt. De omstandigheden waarin het op je pad kwam, en/of hoe het prepareren verliep, kortom gebruik je creativiteit!

2. Lever minimaal één en maximaal drie duidelijke foto’s aan om het verhaal beeldend te ondersteunen.

3. Alle inzendingen worden na binnenkomst op de HGV-website geplaatst.

4. De inzendperiode is vanaf 15 maart tot en met 16 mei 2021.

5. Van 17 mei tot 30 mei kunnen alle leden via de mail hun stem uitbrengen op de ingezonden bijdragen. Voor degene met de meeste stemmen is er natuurlijk weer een leuke prijs te winnen! Op 5 juni maken we de prijswinnaar bekend.

De inzendingen tot nu toe:

Barbara Marsman
Haaientanden

Lang geaarzeld over mijn favoriete object. Het hazenkaakje van de Zandmotor? Maar dat heeft al zo in de belangstelling gestaan en is trouwens niet meer in mijn bezit, geruild met Dik Mol voor een kies van een wolharige neushoorn. Mijn eerste zee-egel, gevonden in de buurt van Philippeville in de Ardennen, het begin van een aardige collectie zee-egels?
Nee, het worden toch de haaientanden, waarmee het allemaal begon.

Mijn jeugd heb ik doorgebracht in Sluis, Zeeuws-Vlaanderen, vlak bij Cadzand. Wij gingen daar vaak naar toe en al heel snel had ik door, dat daar haaien- en roggentanden te vinden waren. Fossiele haaientanden van wel 40 miljoen jaar oud, voor een kind nauwelijks te bevatten. Praktisch elke keer vond ik wel wat. Weliswaar niet van die hele grote die in de vitrine van het oude hotel Noordzee ( jammer genoeg gesloopt omdat het op den duur op de rand van het afkalvende duin lag) lagen, maar toch leuke vondsten. Je raapt tientallen stukjes zwart spul op, maar als je een haaientand ziet, weet je meteen dat het er één is. Ook hier op het strand speur ik onbewust nog steeds naar haaientanden en hoewel het eigenlijk niet kan, heb ik in de loop der jaren ook hier twee haaientanden gevonden.
Mijn vriendin Vic, was intussen lid geworden van de geologische vereniging afdeling Den Haag en het feit dat ik haaientanden verzamelde, was reden genoeg om ook lid te worden, vond zij. Geen spijt van gehad, leuke lezingen en leuke excursies. En nooit eerder geweten dat er zoveel verschillende soorten haaientanden waren!

Zelf heb ik jaren geleden een kleine excursie georganiseerd, met vrienden en familie naar Cadzand en Nieuwvliet. Vic was daar ook bij, ze vond die dag meer dan 20 haaientanden! Meer dan ik ooit op één dag gevonden heb!
Met Mark Zondag zijn we ook nog een paar keer naar Hoevenen geweest, het was daar een kwestie van kuilen graven en dan maar zeven. Mooie vondsten ook, maar naar mijn mening toch niet zo fijn als het speuren langs de vloedlijn.

Barbara Marsman, mei 2021
______________________________________________________________________________

Patty Fredriksz
ZEE-EGELS

Hoe kies je een object uit je verzameling die je in jaren bij de Haagse Geologische Vereniging hebt opgebouwd? Eén favoriet heb ik niet, ik heb een stel hele leuke zee-egelvondsten.
Mijn eerste vond ik op een storthoop, de eerste keer met de Geoclub mee op excursie naar de Piesberg en op de terugweg nog ergens op een storthoop zoeken. Trots als een pauw kwam ik met een fossiele zee-egel terug.

Maar net zo mooi was het fossiele zee-egeltje dat ik van een meisje kocht bij Jebel Shams, een massief in Oman, dat tijdens onze wandeling een oud rif bleek te zijn.

Het gezelligst was met de fossielenwerkgroep naar Landaville waar we tijdens de lunch om ons heen de zee-egels zo op konden rapen en natuurlijk later gingen uitprepareren tot mooie stukken.

Zee-egels blijven prachtig, ook omdat we ze nog steeds kunnen bewonderen tijdens onze duiken en je de naaldjes nog steeds op het strand kunt vinden.

Patty Fredriksz, mei 2021
______________________________________________________________________________

Jan Gevers Leuven
Mijn dierbare voorwerp ligt op de schoorsteenmantel

Ik vond het jaren geleden in de winkel “De Edelsteen” in de Balistraat, Den Haag. Daar kwam ik graag.

Op een dag dat ik er was stond er een mand met ronde stenen. Die dag zouden er schoolkinderen langs komen om iets te horen over stenen. Huib Broekarts, de eigenaar, nam een van die stenen en zei tegen een klein meisje dat ze samen zouden kijken hoe die steen er van binnen uit zou zien. Ze moest wel een brilletje op. Haar nieuwsgierigheid groeide. Tegelijk met de mijne, trouwens. Huib nam een zware hamer. Toen kwam het: want voor het eerst in duizenden jaren werd de inhoud zichtbaar. HOL …!! Kristalletjes!! En jij bent de eerste die dit ziet! Het meisje mocht hem hebben. Hij vertelde haar hoe die kristalletjes daar kwamen. Het sprookje groeide. Nee, het geheim was te ver weg voor het kinderbrein, maar de feiten waren er en vroegen om nauwkeurige aandacht. Het heeft mij m’n levenlang gefascineerd. Maar het bleef steken in het hobby-hoekje.

En zo kwam het dat ik in die winkel er een zag liggen, doorgezaagd en gepolijst, met een grijns op zijn gezicht die onmiddellijk om aandacht vroeg. Discordantie! Dat ding heeft een kanteling meegemaakt en groeide daarna door. Er zat geschiedenis aan en een kenner zou me wel inlichten. Die kwam niet. Maar de inzichten kwamen wel. Museum Hofland had een tentoonstelling van dit soort fenomenen en dat bracht duidelijkheid: de oorsprong is vulkanisch. Gasbellen stolden. Een korst was steviger dan de omgeving zodat verwering en erosie de korst uitprepareerden. Het werd een geode. Daarna bleek de korst water door te laten tezamen met wat er in dat water was opgelost: kiezelzuur. Dat zweette naar binnen. Het gas in de holte werd deels verdreven en een vloeistofspiegel vormde zich. Het kiezelzuur vormde in water een kiezelgel en zakte uit. Op de bodem ontstond een zich verhardende pudding, chalcedoon. Daarboven deed het kiezel opeens iets anders, het ging zich rangschikken in een kristalrooster en groeide uit tot een bergkristalletje. Vraag me niet hoe dat zo kwam. Het gebeurde ook aan het plafond. De holte bleef nog intact maar zou in de toekomst wel zijn verdwenen, en dan zou het geheel helemaal dichtgelopen zijn met chalcedoon en/of met kristallen. Ja, het zweet gaat dwars door het aangroeisel, chalcedoon is er doorlaatbaar voor. Kennelijk, want hoe krijg je het in het centrum van een steeds kleiner wordende holte?? Ik begon er in Laren, het Hoflandmuseum, over te praten en toen bleek dat niet iedereen het met mijn scenario eens was. Nu ja, geologie is ook maar een… o nee! Het is een wetenschap, geen stelsel van meningen, en daarin zijn de geleerden het gewoon niet eens over hoe het allemaal is ontstaan maar er vormt zich wel een reeks feiten die je moet kennen om er althans iets van te begrijpen. En daar oefenen we ons in in het zaaltje van het Museon en ik ben dankbaar er af en toe te mogen zitten.

Jan Gevers Leuven, mei 2021
______________________________________________________________________________

Lita Paauwe
Mijn favoriete object

Het Museon was jaren negentig, begin 2000 een Eldorado op geologisch gebied.
Wim de Vries gaf in januari een boeiende basis cursus geologie met een syllabus die helder en informatief was. In het najaar was de zg Specialisten serie met lezingen op geologisch gebied gegeven door enthousiaste specialisten, die hun vakgebied aan ons toonden dmv een prachtige presentatie. Ieder najaar verheugden wij ons hierop. Het was altijd een soort reünie van oud excursiegangers en verdere geïnteresseerden.

Wim de Vries heeft in 1996 zijn eerste reis naar IJsland georganiseerd, veelal kamperen, maar het kon in die tijd niet anders.
Het is op deze reis dat Wim mijn favoriete object uitgehakt heeft, zeoliet uit het gesteente bezijden de Breidamerkurjokull, een herinnering aan dit overweldigende eiland, waar de weidsheid, de gletsjers, zuivere lucht en spectaculaire kleurschakeringen, ons nog menig maal tot een bezoek hebben uitgenodigd.

Lita Paauwe, april 2021

______________________________________________________________________________

Rose Denters
Mijn favoriete object
Het botje van Mo, of hoe het allemaal begon

Niets liever dan struinen langs het strand of in de bergen, bukken om een schelpje, een steentje of ander moois op te rapen, het vervulde me altijd met blijdschap. Ja, ik ben een geboren jutter!

En nadat we in december 2012 onze grote wens om weer naar Den Haag terug te keren hadden verwezenlijkt stond niets me meer in de weg om vaak, heel vaak de vloedlijn af te schuimen.

Onze ruwharige teckel Mo hadden we uiteraard sinds zijn kleutertijd vanuit het oosten des lands al laten kennis maken met de grote zandbak en waterpret in het westen.
En het was Mo die, ter hoogte van strandtent De Kwartel, op een mooie zomerdag enthousiast uit de branding kwam gelopen met een prachtige kluif in zijn bek. Geen verse van de slager, maar een diepzwarte met duidelijk zichtbare breukranden. Ik begreep dat hij iets bijzonders had en stelde tot beider tevredenheid een smakelijke ruil voor: hij een heerlijk hondensnoepje en ik zijn pas verworven buit.

Het werd de basis van een lange en plezierige samenwerking, Mo specialiseerde zich in het zoeken naar Fruits de Mer die hij met smaak verorberde terwijl ik alle tijd had om de geheimen die de zee had prijsgegeven te ontdekken en zodoende een aardige collectie aan fossielen, stenen, wat schelpen en zelfs een prachtig artefactje vond.

Voor mij begon het speurwerk, wat voor bot was het precies en wie kon me daar meer over vertellen. Na enig speurwerk op internet vond ik de site van de Haagse Geologische Vereniging en een enthousiaste Jacqueline Waasdorp nodigde me uit om de aanstaande lezing te komen bijwonen. Ik kwam in een warm bad terecht, allemaal mensen die net als ik blij werden van vondsten uit de natuur. Fossielen, stenen, mineralen, schelpen, kortom, ik voelde me thuis en werd gelijk lid. Vic Viveen was zo aardig om het botje van Mo te determineren voor mij, en met grote nieuwsgierigheid wachtte ik de uitkomst af.

Het bleek vermoedelijk een stuk scheenbeen van een oerpaardje te zijn, ongeveer 30.000 jaar oud uit het Weichselien, de laatste IJstijd in Nederland die duurde van ca 110.000 tot 10.000 jaar geleden. Nederland was toen verbonden met Engeland en toendra’s (met vrijwel constante permafrost) wisselden af met nog koudere ruige en droge steppenlandschappen. Op die winderige koude steppe leefde mijn oerpaardje, knabbelend aan gras dat in grote hoeveelheden op de steppe aanwezig was.

Het botje van Mo ging na een tijdje aan de randen verkruimelen, wat nu? Wederom kwam de kennis van ‘de club’ van pas. Beginner als ik was had ik geen enkele kennis van het ontzilten van vondsten uit het zoute zeewater! Ik moest het zeker 4 weken of langer, afhankelijk van de grootte, in zoet water leggen en dat regelmatig verversen. En daarna, als het bot opgedroogd is conserveren door het een tijdje in een lijmoplossing onder te dompelen.

Bleef over, hoe zou mijn oerpaardje, eens de bezitter van mijn botje eruit hebben gezien?
Groot was hij of zij niet, met een dichte vacht en recht opstaande manen, maar lekker stoer!

Rose Denters, april 2021

______________________________________________________________________________

Jacqueline Waasdorp
Mijn favoriete object komt uit Landaville

Acroselenia bradfordensis COTTEAU en Chariocrinus andreae
vindplaats Landaville, Frankrijk
Midden-Jura, Bajocien
168,3 – 170,3 miljoen jaar

Een favoriet object uit mijn collectie dateert uit mijn begintijd bij de HGV. Vic Viveen, die ik kende vanuit het Museon, haalde mij de vereniging in (“jij vindt dat leuk”). Rob Schouten, een collega van mij, was ook lid. Leek een prima club. Ik wist helemaal niets over geologie en fossielen, maar dan ook echt niets, maar ik heb een brede belangstelling voor van alles. Ik werd lid, vond de lezingen interessant en sloot mij ook aan bij de toen nog bestaande, zeer actieve Fossielenwerkgroep.

Zomer 2003 vertrokken wij op een ochtend in alle vroegte met een paar auto’s richting Frankrijk, naar een bij deskundigen bekende vindplaats, het plaatsje Landaville. Gelegen in de noordelijke Vogezen, een kleine 10 km ten zuiden van Neufchateau. De Camping Municipal was een prima plek om onze tentjes op te slaan. Onze dagen brachten we door in de steengroeve, voor mij allemaal nieuw. Je hoefde nauwelijks te zoeken en niet te hakken, de fossielen lagen werkelijk voor het oprapen. Prachtige stukken vol met zeeëgels, meestal met de stekels er nog bij (!), en zeeleliestengels, zo’n 168,3 – 170,3 miljoen jaar oud. Pas toen ik wat meer kennis had opgedaan, realiseerde ik me echt hoe oud dat is: egels en zeelelies afkomstig uit een zee op een plaats waar nu bergen zijn, uit een tijd dat de aarde er totaal anders uitzag dan nu.

Camping Municipal in Landavile

Is het een heel speciaal object? Ik denk het niet. Is het heel zeldzaam? Dat denk ik eerlijk gezegd ook niet. Wel voor mij. Het is mijn kennismaking met fossielen zoeken, het stuk op de foto is een van mijn eerste zelf gevonden fossielen.
Het ging natuurlijk om het geheel. Overdag de steengroeve in, ’s avonds lekker eten, Franse kaas erbij, een glaasje wijn, een fijn gezelschap. Pieter, die voor het ontbijt voor iedereen spiegeleieren bakte onder de openstaande klep van de “gouden koets”, de goudkleurige auto waar Rob indertijd in reed.
Er zijn nog heel wat fossielenreisjes gevolgd, naar Duitsland, Denemarken, Tsjechië, Frankrijk, Engeland. Soms met spectaculaire vondsten, soms met (bijna) niets. Maar meestal reden we met zwaar beladen auto’s terug naar huis. En dan hadden we vaak nog een heleboel achtergelaten… Het zijn mooie reisjes om op terug te kijken, en het zijn de herinneringen die de objecten bijzonder maken.

Jacqueline Waasdorp, februari 2021