CADZAND EN HOEVENEN 2005 T/M 2011

 

De laatste jaren zijn we diverse malen richting Cadzand, Nieuwvliet Bad en Antwerpen geweest. Het zijn altijd ééndaagse excursies, waarbij we of Cadzand en omgeving bezoeken of de regio Antwerpen. De laatste 2 jaar was vaak Hoevenen ons reisdoel.

Het strand van Cadzand/Het Zwin en het vlakbij gelegen Nieuwvliet. Cadzand staat bekend om zijn haaietanden, die al sinds jaar en dag langs het strand worden gezocht. Soms is de oogst groot, soms is het veel bukken om slechts een paar tandjes op te pikken. Er komen ook andere fossielen voor: roggetanden, botfragmenten, fossiele schelpen en ander klein goed. Hoofdzakelijk uit het Eoceen. Het is zaak om goed te kijken! Tandjes van 2 mm zijn geen uitzondering. De laatste paar jaar is de spoeling wat dunner.

 

Hierboven zijn wat strandvondsten (haaietanden) - meestal niet compleet - afgebeeld van  Cosmipolitodus (Isurus) hastalis (Agassiz, 1843). De vindplaats is 't Zwin bij Cadzand.

Bij Nieuwvliet troffen we bij een der eerste bezoeken suppletiezand aan, afkomstig van de "Sluissche Hompels" (zo'n 6 km uit de kust). Ook hier haaietanden, maar jonger, meest Plioceen. Het ziet er ook anders uit. Wanneer je daar over het strand kijkt, valt je de "roodachtige" kleur op in de schelpen/gruisbankjes. Sommigen van ons hadden weinig geluk. Maar de ruimte, het wijde strand, de wisselende luchten en de vele vogels - waarvoor we weer een verrekijker bij ons hadden - maken een wandeling altijd de moeite waard.

Hierboven een enthousiasteling zoekend op het strand bij Zwarte Polder.

En dan Hoevenen. Deze locatie is ontstaan bij het uitgraven van één der vele havens die rondom Antwerpen ontstaan.  Eerder waren het vindplaatsen als Kallo en Doel. Miocene en pliocene vondsten kunnen daar in ruime hoeveelheden worden gevonden. De lagen zijn vaak verstoord als gevolg van de gebruikte techniek via het opspuiten van zand via buizen. Ook het vele heen en weer schuiven doet geen goed aan het kunnen herkennen van de verschillende zanden. De ouderdom van deze vondsten ligt op ca 5 miljoen jaar (= Vroeg Plioceen/Zanden van Kattendijk) of het Midden Mioceen, afhankelijk van welke formatie hier is aangetroffen. 

Bovenste foto's: overzicht van de vondsten in Hoevenen; onderste foto: Tand uit onderkaak (midden) Notorynchus cepedianus Peron, 1807 (zie: http://people.zeelandnet.nl/sharke/Notorynchus.htm Onderste foto links: Hoe diep kun je graven? Onderste foto rechts: Na gedane arbeid ………………………..

Als je wilt weten welke haaietanden er te vinden zijn, kijk dan even op: http://www.belgiansharkteeth.be/ en http://www.robbinsfossielen.page.tl/Hoevenen.htm

 

 

Zaterdag 3 september 2005

Een dagje keien zoeken op Gooise bodem

Zaterdag 3 september 2005, klokslag negen uur, vertrokken van het Haagse MUSEON twaalf leden van de Haagse Geologische Vereniging in vier auto’s naar het Gooi om windkeien te zoeken.

Na een kop koffie snel naar een akker in het Crailosche Bos om te zoeken naar windkanters. We beschikten over toestemming van het Goois Natuurreservaat en de boer die de akkers pachtte. Het graan was van de akkers, maar helaas nog niet geploegd. Iedereen was ingespannen bezig, verspreid over de weidse akkers. Men zocht met behulp van vreemde werktuigen: aspergestekers, kinderharkjes, skistokken. De windkeien hier bestonden overwegend uit Scandinavische (kwartsietische) zandstenen, geel, bruin en paars: Dalazandstenen. En vrij veel scherp geribde witte kwarts.

Door naar de volgende vindplaats. De akkers daar stonden vol kort gras. Zeer geschikt dus om op te lunchen. Nog steeds stralende zon en bovendien op deze plek veel windkanters. We inspecteerden de velden: grotere variatie, qua gesteentesoort, formaat, en meer verschillen in aangeslepen delen. We troffen ook stenen aan van zuidelijke oorsprong en meegevoerd door de grote rivieren; bijvoorbeeld Révinienkwartsiet, lydiet, verschillende soorten vuursteen, taunuskwartsiet, radiolariet en jaspis.

Grote ex. collectie Marsman

Eén deelneemster vond een exemplaar van vele kilo’s, een prachtig geel geaderde glanzend gepolijste zandsteen met volmaakt gave scherp opstaande windribbel. Zo bijzonder had ik ze in museum Hofland niet gezien.

Het exemplaar weegt 5 kilo. De lengte is 35 cm, hoogte 12 cm en de breedte 17 cm.

Aan de vondsten - waarvan slechts een deel hiernaast is afgebeeld - is te zien dat er voldoende mooi materiaal te vinden was.

Er waren ook klapperstenen. Dit zijn limonietconcreties die ter plaatse in het sediment ontstaan doordat er rond een (lemen) kern onoplosbaar ijzerhoudend materiaal wordt afgezet. Door volumevermindering van de kern kan zo’n steen letterlijk gaan ‘klapperen’. De meeste doen dat niet, de onze ook niet.

De Westerheide, een hoog droog landschap op de Gooise stuwwal, was prachtig en heel stil. De zon stond al laag en gloeide over de bloeiende hei, het paars, grijs en groen werd afgewisseld met het wit en geel van het zand. Er waren nauwelijks mensen. Je kon om je heen kijken zonder dat iets het landschap en de horizon verstoorde. Dat is in Nederland toch ongekend! Dit beseffend slenterden we op en naast de paden. Wel af en toe op de grond kijken, er was hier al eens een schrapertje gevonden. Ook lagen er sterk verweerde granieten, soms met een windribbel. Die zagen we nog niet eerder.

Na ruim een uur zagen we de grafheuvels. Bulten in het landschap. Iets anders van kleur. Opgebouwd uit zand en plaggen. Opgeworpen in de late Steen- of Bronstijd. Op een van de grootste hebben we een tijdlang stil gezeten, uitkijkend over de uitgestrekte heide met hier en daar een eik of berk. Het is hier zo droog dat er weinig dopheide, maar veel struikheide groeit. In combinatie met een grasje dat ‘Bochtige Smele’ heet. Elders op de hei  (waar in de ondergrond keileem zit, laat geen water door, dus vochtiger) staat juist veel dophei. Nederland is nog het enige land in Europa waar dophei in redelijk grote hoeveelheden voorkomt.  Om de hei te verjongen worden er regelmatig stukken afgeplagd (het maaisel van de Gooise heide wordt gebruikt als strooisel in olifantenverblijven en als dakpanvulling voor traditionele daken in Duitsland ( beetje bizarre informatie, maar toch).

Windkanters en wat hen zo bijzonder maakt

Windkanters of  -keien zijn stenen met één of meer gladde vlakken, begrensd door scherpe rechte of gegolfde ribben. Ze werden in deze vorm geslepen en gepolijst door met zand beladen wind (denk aan zandstralen). Ze hebben door het polijsten vaak een ‘vettige’ glans, windlak genoemd. Windkeien komen voor op Pleistocene zandgronden ten noorden van de Rijn en in grote delen van Noord-Brabant en Limburg. Men treft ze plaatselijk in concentraties aan en zelden geïsoleerd. De meeste windkeien werden gevormd tijdens het Weichselien-glaciaal. De droge wind blies alles weg, behalve stenen en steentjes. Zo ontstond uiteindelijk een aaneengesloten laag van stenen: een ‘keienvloer’, hecht verankerd in de bevroren bodem. Zand- en stofstormen bewerkten deze keien, er als het ware ‘facetten’ aan slijpend. Omdat de wind steeds meer van de fijne deeltjes vanuit grotere diepte meevoerde, zullen de keien verder gezakt zijn en soms gekanteld. Met als gevolg dat ze aan meer zijden werden geslepen.

Er is mogelijk nog een oorzaak waardoor ze van positie veranderden, om vervolgens aan een andere zijde door de wind geslepen te worden. Dit heet kryoturbatie. Men moet zich realiseren dat er een groot verschil bestaat tussen bevriezen en ontdooien van fijnkorrelig en grofkorrelig materiaal. Vochtige klei en leem bevriezen  bijvoorbeeld langzamer dan vochtig grof zand. Wanneer dus, in de winter,  klei- en leemgrenzen gaan bevriezen tussen de permafrost (permanent bevroren bodem) en de reeds van boven af  bevroren oppervlakte, kan dit flinke spanningen veroorzaken, zodat er een intense verfrommeling ontstaat. ’s Zomers kan ontdooien ook een dergelijk effect opleveren. Uitstulpingen met zand (verzadigd met ontdooid water) dringen verticaal in de plastische kleilaag: De bodem wordt dan tot op 1 à 2 meter doorkneed, met inbegrip van de stenen die er in en bovenop liggen.

In het Saalien-glaciaal (voorlaatste ijstijd, 230.000 tot 130.000 jaar geleden) werden door gletsjers stenen en keileem uit Scandinavië meegevoerd tot aan het Gooi. Het ijs was 150 meter of nog dikker en dus zeer goed in staat om stenen te verpulveren en bevroren grond in grote schollen vooruit te schuiven. Er werden stuwwallen gevormd.

In het Weichselien ( laatste ijstijd, 110.000 tot 10.000 jaar geleden) bereikten gletsjers en landijs Nederland niet. Het werd echter extreem koud en zeer droog, er ontstonden toendra’s en zelfs poolwoestijnen. De bodem was blijvend bevroren. Harde koude winden voerden fijn stof en zand aan. Keien werden geslepen tot windkanters, er werden dekzandheuvels gevormd (o.a. Westerheide).

Impressie van de excursie najaar 2008:

Windkanters 9 Windkanters 10
Windkanters 1 Windkanters 2
Windkanters 3 Windkanters 4
Windkanters 5 Windkanters 6
Windkanters 7 Windkanters 8

Dino's in Winterswijk, 4 en 5 November 2005 en 2006

Wat begon als een uitje van een paar vrienden uit de fossielenwerkgroep van de HGV naar de Winterswijkse Steen- en Kalkgroeve (Onder Muschelkalk), is uitgelopen op een heuse groepsexcursie. Niet alleen hebben we de groeve bezocht maar ook de omgeving. Het gebied is door zijn zogenaamde coulissenlandschap erg mooi. De Ratumse beek is een van de meest schone (en nog niet gekanaliseerde) beken van Nederland.  De ijsvogeltjes die er zouden moeten zitten, hebben we niet gezien, wel de beekprikken. Een paar leden kwamen pas de 2e dag. Dus was het verzamelen geblazen bij het NS-station. Vandaar met elkaar naar de steengroeve. Zoals hieronder te zien, zijn er 3 groeves. Linksonder ligt de eerste en weer dichtgegroeide groeve. Rechtsboven is ook een groeve die grotendeels overgroeid is en in de tussenliggende wordt nog gewerkt en kan dus nog gezocht worden.

Zie hiervoor de site van de afd. winterswijk van de NGV. http://www.geologischevereniging.nl/afdelingen/winterswijk/

Het gesteente in deze groeve bestaat uit gelaagde (soms kleihoudende) kalksteen. Deze kalksteen wordt gewonnen voor wegverharding. We hebben gezocht naar voetsporen van sauriërs, die hier in de Trias, (Onder Muschelkalk) in een warm woestijnachtig klimaat, zo’n 240 - 235 miljoen jaar geleden langs het water van een ondiepe zee of lagune liepen.

[zie ook Staringia nr. 7 van de NGV: Die Wirbeltier-ichnofauna aus dem unteren Muschelkalk van Winterswijk; 1983]

Met een hamer en (liefst platte) beitel kan het gesteente worden gespleten. Eventueel een plamuurmes voor het splijten van dunne fijngelaagde platen. Als je geen geologenhamer bezit is een andere (klauw)hamer ook goed. Ook een vuistje is zinvol, maar dan wel met beitel.  Wij namen extra beitels en plamuurmessen mee. Een helm is verplicht.  Je moet hem zelf meenemen of lenen bij de groeve.

De Winterswijkse Trias

Regelmatig bezoekt de Haagse Geologische Vereniging de Winterswijkse steengroeven. Deze liggen een paar kilometer ten oosten van Winterswijk in de buurtschap Ratum. Ook in 2005 en 2006 was dit weer het geval. Om deze reden is hier een korte beschrijving gegeven van het milieu ten tijde van de Muschelkalk en wat je er zo al kunt vinden.

De Trias duurde van 251 tot bijna 200 miljoen jaar geleden en wordt (in Europa) verdeeld in:

             KEUPER                   200 - 228 m.j.
TRIAS MUSCHELKALK       228 - 237 m.j.
             BONDZANTSTEEN 237 - 251 m.j. 

In de steengroeve komen vooral sedimenten uit de Muschelkalk voor. Deze bestaan ter plaatse uit een bijna 40 meter dik naar het noorden hellend pakket dolomitische kalken en mergels. Deze afzettingen werden gevormd in een tijd – circa  240 tot 235 miljoen jaar geleden – dat er sprake was van lagune-achtige omstandigheden. Soms een regressie en soms een transgressie. De sedimentatiesnelheid was redelijk hoog. De dikte van deze afzettingen in de groeve is ongeveer 40 meter. De aangetroffen golfribbels wijzen op een ondiepe zee en de eveneens voorkomende krimpscheuren op een tijdelijke regressie met elkaar afwisselende droge en natte perioden. In dit milieu van een langzaam binnendringende zee kwamen ook allerlei mariene mollusken mee. Bekend zijn de lamellibranchaat Myophora. Ook zijn enkele ammonieten aangetroffen, b.v. Ceratites sp. en Beneckia buchi (ALBERTI). Een ander vaak aan te treffen fossiel is de graafgang van een vermoedelijk kreeftachtige geleedpotige Rhizocorallium jenense (ZENKER). Dat het een overgangsgebied was blijkt ook uit de vondsten van visafdrukken en sauriërresten. Bekend zijn o.a. afdrukken van Rhynchosauroidus peabody FABER, 1958 (foto). Dit was een sauriër die tot anderhalve meter lang kon worden. Hij had een korte romp, een lange staart en 4 naast het lichaam geplaatste poten. Iedere poot bezat 5 tenen. Hij leefde onder tropische omstandigheden in een lagune met andere kleine sauriërs. Ook zijn er platen met krimpscheuren (schoteltjeslaag), golfribbels (Wellenkalk) en afdrukken van regendruppels te vinden. Met veel geluk misschien een sauriërbotje. Vrijwel zeker schelpen en visschubben. Mineralenliefhebbers kunnen onder meer pyriet, calciet en coelestien aantreffen.

De vondsten

 

Rhizocorallium jenense ZENKER. Afm: 17 cm x 12 cm.

Collectie Michon

Rhynchosauroides peabodyi (FABER). Linker exemplaar met huid- afdruk. Afm. linkerex: 15 cm x 20cm. Coll. Viveen Rechterex. (Negatief). Rechter ex. collectie Michon

Phenacopus faberi (DEMATHIEU & OOSTERINK, 1983 met sleepspoor van staart. Afm. linkerex. 44 cm x 32 cm. (Negatief). Collectie Michon

Pleuromya sp.

Afm: 23 cm x 19 cm.

Rhynchosauroides peabodyi (FABER). 

(Negatief).

Collectie Viveen

? Rhynchosauroides sp. (Positieve afdruk)

Collectie Viveen

Coelestien met calcietkristallen

Pyriet

Coelestien

Alle boven weergegeven mineralen: collectie Viveen

Ook de mineralenliefhebber komt in de Winterswijkse steengroeven aan zijn trekken.

Fraaie stukjes pyriet(kristallen), markasiet, calciet, dolomiet, galeniet, strontianiet en coelestien zijn naar een verzameling verhuisd.

Hiernaast is een fraai voorbeeld van strontianiet zoals dat in Winterswijk gevonden kan worden.

 

Dino

Fossielen uit het Pleistoceen (gevonden op de Zandmotor in 2011) in het Museon

 

Buis zandmotorZaterdagmiddag 19 november vond in de Panoramazaal van het Museon een bijeenkomst plaats van de fossielenwerkgroep van de HGV, bijgewoond door een flink aantal genodigden. Dat waren specialisten, belangstellenden en liefhebbers die (in de periode dat de Zandmotor nog gesloten was voor het grote publiek) fossielen op het strand van de Zandmotor mochten zoeken.

 

Allereerst iets over de locatie (zie hiernaast en onder links) waar de fossielen werden gevonden en de periode en omstandigheden waarin deze ontstonden. Onder rechts een deel van het selecte gezelschap van de HGV.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Einde buis zandmotorDe crew

De Zandmotor is een kunstmatig schiereiland, opgespoten in zee voor de kust van Terheyde. Zo'n 20 miljoen kubieke meter zand zal, onder invloed van golven, stromingen en wind, langs de kust worden verspreid. Het zandlichaam (2010/2011) is onderdeel van de versterking van de Delftlandse kust tussen Hoek van Holland en de haven van Scheveningen.

Het opgespoten zand werd opgehaald van de bodem van de Noordzee. Een deel ervan zand is afkomstig van zandbanken dicht bij de kust, dit is dus recent afgezet zand. Een ander deel echter is veel ouder, namelijk uit twee perioden van het laat-Pleistoceen: Eemien en Weichselien.
Dit oudere zand komt uit diepere geulen verder van de kust verwijderd.
Het Pleistoceen duurde van ca 2,6 miljoen jaar tot 11.500 jaar geleden en is onderverdeeld in een aantal ijstijden en warmere tussenperioden.
 
De fossielen die op de Zandmotor werden vonden, zijn grotendeels afkomstig uit het Weichselien. Dit was de laatste ijstijd in Nederland die duurde van ca 116.000 tot 11.500 jaar geleden. Nederland was toen niet bedekt met landijs, zoals in eerdere ijstijden. Maar door toename van het landijs in Scandinavië daalde de zeespiegel en zee werd land.
Nederland was verbonden met Engeland. Toendra's wisselden af met zeer koude, ruige, droge steppelandschappen. Op die steppe groeiden geen bomen, er was veel wind: een poolwoestijn!
Maar wel met voldoende voedsel (grassen, korstmossen, lage struiken) voor grote grazers, zoals wolharige mammoeten, steppewisenten, wolharige neushoorns, wilde paarden en reuzenherten.

 

Gevonden voorwerpenGevonden voorwerpen

In de Panoramazaal lagen de tafels vol met botten, kiezen, kaken, artefacten en schelpen die moesten worden gedetermineerd. Een deel was al geselecteerd voor een wisselvitrine in het Museon, een tweede selectie werd gemaakt voor het nieuwe Infocentrum over de Zandmotor, dat binnenkort in het winkelcentrum van Kijkduin gaat komen. Alle fossielen werden geregistreerd en gefotografeerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GastenOnder de gasten waren Dik Mol, Rob van de Berg, Don Crispijn en Bert van de Valk die de vondsten hielpen determineren. Vooral Dik Mol wist bij veel fossielen spannende en enthousiasmerende verhalen te vertellen. Over een bepaald bot of een kies, maar ook over het leven van het betreffende dier in dìe tijd en in dàt specifieke landschap. Aan de hand van een teenkootje van een ezel maakte hij duidelijk dat hiermee was aangetoond dat er toendertijd een droog steppeklimaat heerste: ezels horen daar bij uitstek thuis! De vondst van een hazenkaakje bleek ook heel interessant (Dik Mol overweegt zelfs om er na afloop van de tentoonstelling een 14C datering van te laten maken). Ook rond de wervel van een Beloega ontstonden levendige discussies.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitstalling gevonden voorwerpen

Ellepijp van ammoet

Foto boven: Overzicht van een deel van de uitgestalde vondsten.
Foto onder: Foto van ellepijp van een mammoet.

 

Uiteraard waren het vooral skeletdelen van al eerder genoemde mammoeten, reuzenherten, steppewisenten, paarden en wolharige neushoorns die ruimschoots getoond werden. Spectaculaire botten en kiezen! Maar het waren vaak de kleinere (van bijvoorbeeld rendier, wolf, bever, otter, leeuw en natuurlijk de haas) die voor opwinding zorgden! Ook was er veel belangstelling voor het stukje schedel (wandbeen) van een mens. Die was door Artur Huisman zo'n twee jaar geleden gevonden aan het strand van Terheyde, nog voor de aanleg van de Zandmotor. De ouderdom is (nog) niet achterhaald.

Bert van der Valk determineerde hoofdzakelijk de artefacten: een vuurstenen krabber en twee afslagen  werden waardig bevonden voor de vitrine. In die periode leefden er in het Noordzeegebied, weliswaar in geringe aantallen, ook nomaden: rondtrekkende jagers/verzamelaars die met de kuddes meetrokken.

De fossiele schelpen die werden gevonden komen overwegend uit de voorgaande warmere tussenijstijd (Eemien, 120.000 jaar oud).

Al met al was het een zeer interessante en inspirerende dag: iedereen was geanimeerd in de weer met de vele, vaak bijzondere vondsten. Bovendien was het natuurlijk een buitenkans om zoveel kennis in huis te hebben! Vrijwel alle fossielen werden gedetermineerd!
De sfeer was opperbest, mede omdat de fossielenwerkgroep had gezorgd voor lekkere hapjes en drankjes.

De maandag erna, 21 november, is meteen een wisselvitrine ingericht in de hal van het Museon (bij de ingang). Die staat er tot begin januari 2012 en iedereen is van harte welkom om te komen kijken!

Futureland en Maasvlakte2 25 mei 2014

 

Op zondag 25 mei 2014 organiseerde de Haagse Geologische Vereniging (HGV) als afsluiting van het verenigingsjaar een dagexcursie naar het strand van Maasvlakte 2. Doel van deze excursie was, naast het verzamelen van fossielen, ook kennis te maken met Maasvlakte 2 en vooral te leren over de diverse fauna’s die Nederland gedurende het Pleistoceen bevolkten, met dieren van mammoet tot nijlpaard en van grote astarte tot geknobbelde hartschelp. Gegeven dit ‘educatieve karakter’ was het dan ook niet vreemd dat de excursie vooraf gegaan werd door een lezing op 10 mei door dr. Frank Wesselingh en collegae van het Naturalis Biodiversity Center in Leiden en TNO - Geological Survey of the Netherlands in Utrecht en dat een bezoek aan de tijdelijke expositie met fossielen van Maasvlakte 2 in Futureland onderdeel was van de excursie.

 

 

maasvlakte2-001De excursie, waaraan zo’n 15 leden van de HGV deelnamen, werd begeleid door Bram Langeveld, ondersteund door Kees van der Kraan. Tijdens het bezoek aan Futureland werd door deze heren toelichting gegeven bij de diverse tentoongestelde fossielen. Van groot belang daarbij, en dat was een rode draad door de hele excursie, is het relatief zeer algemene voorkomen van fossiele zoogdieren uit het Vroeg- en Midden-Pleistoceen, iets dat recentelijk werd aangetoond door Dieleman (2013) en Mol & Langeveld (2014). Dat is namelijk uitzonderlijk voor suppleties uit het Eurogeulgebied en dat is ook de locatie waar de 240 miljoen kubieke meter zand voor Maasvlakte 2 vandaan is gehaald. De oorzaak is de relatief grote diepte tot waarop zand gewonnen is, namelijk meer dan 20 m onder de zeebodem, waarbij – blijkbaar – ook oudere lagen zijn aangesneden, waar deze oudere fossielen, al dan niet omgewerkt, in aanwezig zijn. Bij de meeste suppleties uit het Eurogeulgebied, maar ook in het algemeen, wordt het zand tot veel minder diep onder de zeebodem gewonnen, waardoor er jongere, of zelfs helemaal geen, fossielen worden opgespoten.

 

 

Maasvlakte2-002

Na het bezoek aan Futureland werd er eerst nog even gekeken naar hoe het opspuitproces verloopt. Op het moment van de excursie werd er namelijk een aanvullende suppletie op het strand van Maasvlakte 2 uitgevoerd, om erosie te compenseren. Sleephopperzuigers winnen het zand in het wingebied ten zuiden van de Eurogeul, varen tot vlakbij het strand, koppelen daar aan een lang stelsel van buizen en pompen zo het zand vermengd met water onder hoge druk naar het strand, alwaar het wordt uitgespoten en uitgereden. Het rainbowen werd niet gedaan, maar vormt wel een belangrijke methode waarmee Maasvlakte 2 is gemaakt. Duidelijk is de vernietigende kracht van het opspuitproces, hetgeen veel recente breukvlakken op grotere fossielen verklaart.

 

 

 

 

 

 

Maasvlakte2-003Daarna werd het strand zelf bezocht. Er werd een klein eindje gewandeld, waarbij intensief gezocht werd naar fossiele resten van zoogdieren, fossiele schelpen en zwerfstenen aangevoerd door de Oerrijn en Oermaas. Door Bram en Kees kon vrijwel elke vondst direct op naam gebracht worden en, nog belangrijker, kon elke vondst uitgebreid toegelicht worden en in een breder kader geplaatst worden. Pas dan gaat een fossiel echt leven en kan men het belang van het stuk inschatten. En dat maakt het hele zoeken nou juist interessant.

 

 


 

 

 

 

Maasvlakte2-004Er werden geen hele spectaculaire vondsten gedaan, maar dat was geen enkel probleem: voor veel deelnemers was het het eerste bezoek aan Maasvlakte 2 en dan zijn de kleinere stukken en de algemene fossiele schelpensoorten al meer dan de moeite waard. Vondsten liepen uiteen van zwerfstenen, waaronder lydiet, tot fossiele schelpen van zowel arctische als meer warmere soorten, wat kleine fragmenten van grote zoogdieren en een aantal gebitselementen van kleine zoogdieren. Alle deelnemers gingen met wat vondsten naar huis en hebben wat opgestoken van de excursie, waardoor we veilig kunnen concluderen dat het een succes was.

 

 

 

 

 

 

 

Voor ieder die hierover meer wil lezen:

 

Dieleman, F., 2013. Overzicht van strandvondsten van woelmuizen en andere kleine zoogdieren langs de Nederlandse stranden: stand van zaken 2013. – Afzettingen WTKG 34 (4): 144-172.

 

Mol, D. & B. Langeveld, 2014. Wat determineersessies aan nieuwe gegevens kunnen opleveren: nieuws van het strand van Maasvlakte 2. – Afzettingen WTKG 35 (2): 40-59.

   

 


Copyright (c) 2007 Haagse Geologische Vereniging. All rights reserved.