Cadzand, zaterdag 27 maart 2005

 

Op deze eendaagse excursie bezochten we twee vindplaatsen in Zeeuws-Vlaanderen: het strand van Cadzand/Het Zwin en het vlakbij gelegen Nieuwvliet. Cadzand staat bekend om zijn haaietanden, die al sinds jaar en dag langs het strand worden gezocht. Soms is de oogst groot, soms is het veel bukken om slechts een paar tandjes op te pikken. Er komen ook andere fossielen voor: roggetanden, botfragmenten, fossiele schelpen en ander klein goed. Hoofdzakelijk uit het Eoceen. Het is zaak om goed te kijken! Tandjes van 2 mm zijn geen uitzondering.

Sommigen van ons hadden weinig geluk. Maar de ruimte, het wijde strand, de wisselende luchten en de vele vogels - waarvoor we weer een verrekijker bij ons hadden - maken een wandeling altijd de moeite waard.

Hiernaast zijn wat strandvondsten( haaietanden) - meestal niet compleet - afgebeeld van  Cosmipolitodus (Isurus) hastalis (Agassiz, 1843). De vindplaats is 't Zwin bij Cadzand.

Bij Nieuwvliet troffen we suppletiezand aan, afkomstig van de “Sluissche Hompels” (zo’n 6 km uit de kust). Ook hier haaietanden, maar jonger, meest Plioceen. Het ziet er ook anders uit. Wanneer je daar over het strand kijkt, valt je de “roodachtige” kleur op in de “schelpen/gruisbankjes”.

Advies voor volgende bezoeken:

Laarzen en regenkleding meenemen. Eventueel een harkje of aspergesteker. Kleine (foto)doosjes en plastic zakjes. Ook een loep kan handig zijn.

Hiernaast een enthousiasteling zoekend op het strand bij Zwarte Polder.

Als je wilt weten welke haaietanden er te vinden zijn, kijk dan even op:

http://people.zeelandnet.nl/sharke/indexs.htm

 

Zaterdag 3 september 2005

Een dagje keien zoeken op Gooise bodem

Zaterdag 3 september 2005, klokslag negen uur, vertrokken van het Haagse MUSEON twaalf leden van de Haagse Geologische Vereniging in vier auto’s naar het Gooi om windkeien te zoeken.

Na een kop koffie snel naar een akker in het Crailosche Bos om te zoeken naar windkanters. We beschikten over toestemming van het Goois Natuurreservaat en de boer die de akkers pachtte. Het graan was van de akkers, maar helaas nog niet geploegd. Iedereen was ingespannen bezig, verspreid over de weidse akkers. Men zocht met behulp van vreemde werktuigen: aspergestekers, kinderharkjes, skistokken. De windkeien hier bestonden overwegend uit Scandinavische (kwartsietische) zandstenen, geel, bruin en paars: Dalazandstenen. En vrij veel scherp geribde witte kwarts.

Door naar de volgende vindplaats. De akkers daar stonden vol kort gras. Zeer geschikt dus om op te lunchen. Nog steeds stralende zon en bovendien op deze plek veel windkanters. We inspecteerden de velden: grotere variatie, qua gesteentesoort, formaat, en meer verschillen in aangeslepen delen. We troffen ook stenen aan van zuidelijke oorsprong en meegevoerd door de grote rivieren; bijvoorbeeld Révinienkwartsiet, lydiet, verschillende soorten vuursteen, taunuskwartsiet, radiolariet en jaspis.

Grote ex. collectie Marsman

Eén deelneemster vond een exemplaar van vele kilo’s, een prachtig geel geaderde glanzend gepolijste zandsteen met volmaakt gave scherp opstaande windribbel. Zo bijzonder had ik ze in museum Hofland niet gezien.

Het exemplaar weegt 5 kilo. De lengte is 35 cm, hoogte 12 cm en de breedte 17 cm.

Aan de vondsten - waarvan slechts een deel hiernaast is afgebeeld - is te zien dat er voldoende mooi materiaal te vinden was.

Er waren ook klapperstenen. Dit zijn limonietconcreties die ter plaatse in het sediment ontstaan doordat er rond een (lemen) kern onoplosbaar ijzerhoudend materiaal wordt afgezet. Door volumevermindering van de kern kan zo’n steen letterlijk gaan ‘klapperen’. De meeste doen dat niet, de onze ook niet.

De Westerheide, een hoog droog landschap op de Gooise stuwwal, was prachtig en heel stil. De zon stond al laag en gloeide over de bloeiende hei, het paars, grijs en groen werd afgewisseld met het wit en geel van het zand. Er waren nauwelijks mensen. Je kon om je heen kijken zonder dat iets het landschap en de horizon verstoorde. Dat is in Nederland toch ongekend! Dit beseffend slenterden we op en naast de paden. Wel af en toe op de grond kijken, er was hier al eens een schrapertje gevonden. Ook lagen er sterk verweerde granieten, soms met een windribbel. Die zagen we nog niet eerder.

Na ruim een uur zagen we de grafheuvels. Bulten in het landschap. Iets anders van kleur. Opgebouwd uit zand en plaggen. Opgeworpen in de late Steen- of Bronstijd. Op een van de grootste hebben we een tijdlang stil gezeten, uitkijkend over de uitgestrekte heide met hier en daar een eik of berk. Het is hier zo droog dat er weinig dopheide, maar veel struikheide groeit. In combinatie met een grasje dat ‘Bochtige Smele’ heet. Elders op de hei  (waar in de ondergrond keileem zit, laat geen water door, dus vochtiger) staat juist veel dophei. Nederland is nog het enige land in Europa waar dophei in redelijk grote hoeveelheden voorkomt.  Om de hei te verjongen worden er regelmatig stukken afgeplagd (het maaisel van de Gooise heide wordt gebruikt als strooisel in olifantenverblijven en als dakpanvulling voor traditionele daken in Duitsland ( beetje bizarre informatie, maar toch).

Windkanters en wat hen zo bijzonder maakt

Windkanters of  -keien zijn stenen met één of meer gladde vlakken, begrensd door scherpe rechte of gegolfde ribben. Ze werden in deze vorm geslepen en gepolijst door met zand beladen wind (denk aan zandstralen). Ze hebben door het polijsten vaak een ‘vettige’ glans, windlak genoemd. Windkeien komen voor op Pleistocene zandgronden ten noorden van de Rijn en in grote delen van Noord-Brabant en Limburg. Men treft ze plaatselijk in concentraties aan en zelden geïsoleerd. De meeste windkeien werden gevormd tijdens het Weichselien-glaciaal. De droge wind blies alles weg, behalve stenen en steentjes. Zo ontstond uiteindelijk een aaneengesloten laag van stenen: een ‘keienvloer’, hecht verankerd in de bevroren bodem. Zand- en stofstormen bewerkten deze keien, er als het ware ‘facetten’ aan slijpend. Omdat de wind steeds meer van de fijne deeltjes vanuit grotere diepte meevoerde, zullen de keien verder gezakt zijn en soms gekanteld. Met als gevolg dat ze aan meer zijden werden geslepen.

Er is mogelijk nog een oorzaak waardoor ze van positie veranderden, om vervolgens aan een andere zijde door de wind geslepen te worden. Dit heet kryoturbatie. Men moet zich realiseren dat er een groot verschil bestaat tussen bevriezen en ontdooien van fijnkorrelig en grofkorrelig materiaal. Vochtige klei en leem bevriezen  bijvoorbeeld langzamer dan vochtig grof zand. Wanneer dus, in de winter,  klei- en leemgrenzen gaan bevriezen tussen de permafrost (permanent bevroren bodem) en de reeds van boven af  bevroren oppervlakte, kan dit flinke spanningen veroorzaken, zodat er een intense verfrommeling ontstaat. ’s Zomers kan ontdooien ook een dergelijk effect opleveren. Uitstulpingen met zand (verzadigd met ontdooid water) dringen verticaal in de plastische kleilaag: De bodem wordt dan tot op 1 à 2 meter doorkneed, met inbegrip van de stenen die er in en bovenop liggen.

In het Saalien-glaciaal (voorlaatste ijstijd, 230.000 tot 130.000 jaar geleden) werden door gletsjers stenen en keileem uit Scandinavië meegevoerd tot aan het Gooi. Het ijs was 150 meter of nog dikker en dus zeer goed in staat om stenen te verpulveren en bevroren grond in grote schollen vooruit te schuiven. Er werden stuwwallen gevormd.

In het Weichselien ( laatste ijstijd, 110.000 tot 10.000 jaar geleden) bereikten gletsjers en landijs Nederland niet. Het werd echter extreem koud en zeer droog, er ontstonden toendra’s en zelfs poolwoestijnen. De bodem was blijvend bevroren. Harde koude winden voerden fijn stof en zand aan. Keien werden geslepen tot windkanters, er werden dekzandheuvels gevormd (o.a. Westerheide).

Impressie van de excursie najaar 2008:

Windkanters 9 Windkanters 10
Windkanters 1 Windkanters 2
Windkanters 3 Windkanters 4
Windkanters 5 Windkanters 6
Windkanters 7 Windkanters 8

Dino's in Winterswijk, 4 en 5 November 2005 en 2006

Wat begon als een uitje van een paar vrienden uit de fossielenwerkgroep van de HGV naar de Winterswijkse Steen- en Kalkgroeve (Onder Muschelkalk), is uitgelopen op een heuse groepsexcursie. Niet alleen hebben we de groeve bezocht maar ook de omgeving. Het gebied is door zijn zogenaamde coulissenlandschap erg mooi. De Ratumse beek is een van de meest schone (en nog niet gekanaliseerde) beken van Nederland.  De ijsvogeltjes die er zouden moeten zitten, hebben we niet gezien, wel de beekprikken. Een paar leden kwamen pas de 2e dag. Dus was het verzamelen geblazen bij het NS-station. Vandaar met elkaar naar de steengroeve. Zoals hieronder te zien, zijn er 3 groeves. Linksonder ligt de eerste en weer dichtgegroeide groeve. Rechtsboven is ook een groeve die grotendeels overgroeid is en in de tussenliggende wordt nog gewerkt en kan dus nog gezocht worden.

Zie hiervoor de site van de afd. winterswijk van de NGV. http://www.geologischevereniging.nl/afdelingen/winterswijk/

Het gesteente in deze groeve bestaat uit gelaagde (soms kleihoudende) kalksteen. Deze kalksteen wordt gewonnen voor wegverharding. We hebben gezocht naar voetsporen van sauriërs, die hier in de Trias, (Onder Muschelkalk) in een warm woestijnachtig klimaat, zo’n 240 - 235 miljoen jaar geleden langs het water van een ondiepe zee of lagune liepen.

[zie ook Staringia nr. 7 van de NGV: Die Wirbeltier-ichnofauna aus dem unteren Muschelkalk van Winterswijk; 1983]

Met een hamer en (liefst platte) beitel kan het gesteente worden gespleten. Eventueel een plamuurmes voor het splijten van dunne fijngelaagde platen. Als je geen geologenhamer bezit is een andere (klauw)hamer ook goed. Ook een vuistje is zinvol, maar dan wel met beitel.  Wij namen extra beitels en plamuurmessen mee. Een helm is verplicht.  Je moet hem zelf meenemen of lenen bij de groeve.

De Winterswijkse Trias

Regelmatig bezoekt de Haagse Geologische Vereniging de Winterswijkse steengroeven. Deze liggen een paar kilometer ten oosten van Winterswijk in de buurtschap Ratum. Ook in 2005 en 2006 was dit weer het geval. Om deze reden is hier een korte beschrijving gegeven van het milieu ten tijde van de Muschelkalk en wat je er zo al kunt vinden.

De Trias duurde van 251 tot bijna 200 miljoen jaar geleden en wordt (in Europa) verdeeld in:

             KEUPER                   200 - 228 m.j.
TRIAS MUSCHELKALK       228 - 237 m.j.
             BONDZANTSTEEN 237 - 251 m.j. 

In de steengroeve komen vooral sedimenten uit de Muschelkalk voor. Deze bestaan ter plaatse uit een bijna 40 meter dik naar het noorden hellend pakket dolomitische kalken en mergels. Deze afzettingen werden gevormd in een tijd – circa  240 tot 235 miljoen jaar geleden – dat er sprake was van lagune-achtige omstandigheden. Soms een regressie en soms een transgressie. De sedimentatiesnelheid was redelijk hoog. De dikte van deze afzettingen in de groeve is ongeveer 40 meter. De aangetroffen golfribbels wijzen op een ondiepe zee en de eveneens voorkomende krimpscheuren op een tijdelijke regressie met elkaar afwisselende droge en natte perioden. In dit milieu van een langzaam binnendringende zee kwamen ook allerlei mariene mollusken mee. Bekend zijn de lamellibranchaat Myophora. Ook zijn enkele ammonieten aangetroffen, b.v. Ceratites sp. en Beneckia buchi (ALBERTI). Een ander vaak aan te treffen fossiel is de graafgang van een vermoedelijk kreeftachtige geleedpotige Rhizocorallium jenense (ZENKER). Dat het een overgangsgebied was blijkt ook uit de vondsten van visafdrukken en sauriërresten. Bekend zijn o.a. afdrukken van Rhynchosauroidus peabody FABER, 1958 (foto). Dit was een sauriër die tot anderhalve meter lang kon worden. Hij had een korte romp, een lange staart en 4 naast het lichaam geplaatste poten. Iedere poot bezat 5 tenen. Hij leefde onder tropische omstandigheden in een lagune met andere kleine sauriërs. Ook zijn er platen met krimpscheuren (schoteltjeslaag), golfribbels (Wellenkalk) en afdrukken van regendruppels te vinden. Met veel geluk misschien een sauriërbotje. Vrijwel zeker schelpen en visschubben. Mineralenliefhebbers kunnen onder meer pyriet, calciet en coelestien aantreffen.

De vondsten

 

Rhizocorallium jenense ZENKER. Afm: 17 cm x 12 cm.

Collectie Michon

Rhynchosauroides peabodyi (FABER). Linker exemplaar met huid- afdruk. Afm. linkerex: 15 cm x 20cm. Coll. Viveen Rechterex. (Negatief). Rechter ex. collectie Michon

Phenacopus faberi (DEMATHIEU & OOSTERINK, 1983 met sleepspoor van staart. Afm. linkerex. 44 cm x 32 cm. (Negatief). Collectie Michon

Pleuromya sp.

Afm: 23 cm x 19 cm.

 

Rhynchosauroides peabodyi (FABER). 

(Negatief).

Collectie Viveen

? Rhynchosauroides sp. (Positieve afdruk)

Collectie Viveen

Coelestien met calcietkristallen

Pyriet

Coelestien

Alle boven weergegeven mineralen: collectie Viveen

Ook de mineralenliefhebber komt in de Winterswijkse steengroeven aan zijn trekken.

Fraaie stukjes pyriet(kristallen), markasiet, calciet, dolomiet, galeniet, strontianiet en coelestien zijn naar een verzameling verhuisd.

Hiernaast is een fraai voorbeeld van strontianiet zoals dat in Winterswijk gevonden kan worden.

 

 

 

 


Copyright (c) 2007 Haagse Geologische Vereniging. All rights reserved.